The Last Ocean

Deze week ben ik, na enkele maanden in Nieuw-Zeeland te hebben gewoond, met twee lange vluchten vanuit Sydney via Taipei teruggevlogen naar Nederland. Tijdens één van deze vluchten kon ik in het vliegtuig de film The Last Ocean kijken – een documentaire-achtige film over de Rosszee, een zee bij Antarctica. Deze zee is een van de laatste overgebleven ‘natuurlijke’ ecosystemen ter wereld, maar wordt nu bedreigd door overbevissing. Vooral de dissostichus, een ijskabeljauw (in het Engels: toothfish), is bij de vissers erg in trek. Dat is niet zonder problemen omdat deze vis een roofdier is bovenaan de voedselketen; verdwijnen van deze vis uit de Rosszee zou ingrijpende gevolgen hebben voor het ecosysteem als geheel. De populatie potvissen, orka’s, pinguïns en andere vissen zal direct worden beïnvloed door een dalend aantal toothfish. Iets wat direct mijn interesse wekte, door de verscheidenheid aan zeedieren die ik in Nieuw-Zeeland heb mogen zien.

Antarctica an sich is relatief onaangetast door mensen en is door verschillende landen tot beschermd natuurgebied verklaard. De Rosszee behoort uiteraard niet tot het vasteland en is dus niet beschermd. Nadat Nieuw-Zeeland begon met de vangst van toothfish, volgden daarom vele andere landen met een ratrace als gevolg. Wie kon de meeste toothfish vangen? Hoewel de landen aangeven dat de vangst duurzaam plaatsvindt (dat wil zeggen: volgens enkele criteria), is er in de praktijk nog bijzonder weinig bekend over de toothfish waardoor deze zogenaamde ‘duurzaamheid’ sterk in twijfel kan worden getrokken. Immers, er is überhaupt nog onvoldoende informatie over de populatie toothfish om iets te kunnen zeggen over duurzame vangst.

Toch wordt op de vis gejaagd, waardoor wetenschappers nu aan de bel trekken. Wetenschappers die op Antarctica werkzaam zijn en de Rosszee als belangrijk onderzoeksobject hebben namen het initiatief, maar daarna zijn ook andere wetenschappers het project ‘The Last Ocean‘ gestart om bewustwording wereldwijd te creëren en de toothfish (en daarmee ook het ecosysteem van de Rosszee) te redden. Vooralsnog zonder succes, want de visvangst in de Rosszee is nog geen halt toegeroepen. Maar de indrukwekkende film, die als resultaat van dit project is gemaakt, verdient het om gezien te worden. Niet alleen om te leren over de fascinerende natuur van de Rosszee, maar vooral ook om de dramatische gevolgen van menselijk handelen in de wereldzeeën te leren kennen en dit goede initiatief te steunen.

Ik geef toe dat na bovenstaande informatie de verwachting wordt gewekt dat ‘The Last Ocean’ vergelijkbaar is met ‘An Inconvenient Truth’ en in zekere zin is dat ook zo. Beide films luiden de noodklok over de gevolgen van menselijk handelen voor oorspronkelijke, natuurlijke processen. De grote verschillen zijn echter dat ‘The Last Ocean’ een project is dat draait om minder grootschalige gevolgen dan de gevolgen van de klimaatverandering (zonder de dramatische gevolgen van overbevissing te willen bagatelliseren – dit blog schrijf ik immers niet voor niets) en daarnaast, en dit telt voor mij heel zwaar, is opgezet door wetenschappers. Consensus is in de wetenschap meer uitzondering dan regel en het is dan ook indrukwekkend dat meer dan 450 wetenschappers hun naam hebben verbonden aan ‘The Last Ocean’. Op de website van The Last Ocean staan bovendien niet alleen populaire teksten, maar ook wetenschappelijke artikelen om het gelijk van de wetenschap te bewijzen.

Het roept bij mij de vraag op waarom (vooral) de Nieuw-Zeelandse regering geen gehoor geeft aan de oproepen van de wetenschappers. De Rosszee moet beschermd worden, eerder vandaag dan morgen, en ik vermoed dat de meeste lezers van dit blog dat met mij eens zullen zijn. Economische belangen wegen mee, maar is de toothfish echt zo belangrijk voor de economie van de vissende landen? Uit de film blijkt van niet. Het is dan ook tijd dat een stukje bewustzijn ontstaat bij de overheden die vissen in de Rosszee. Anders verwoest de mensheid ook de laatste overblijfselen van de natuur zoals die vóór de komst van de mens functioneerde. ‘The Last Ocean’ is dus een film die precies op tijd is gemaakt – en misschien zelfs wel al iets te laat. Laten we dat echter niet hopen.

Utilitaristische ethiek en keuzes in beleid

It is better to be a human being dissatisfied than a pig satisfied; better to be Socrates dissatisfied than a fool satisfied. And if the fool, or the pig, are a different opinion, it is because they only know their own side of the question. The other party to the comparison knows both sides.

It may be objected, that many who are capable of the higher pleasures, occasionally, under the influence of temptation, postpone them to the lower. But this is quite compatible with a full appreciation of the intrinsic superiority of the higher. – John Stuart Mill

Bovenstaande quote van John Stuart Mill, filosoof uit de negentiende eeuw, is zeer toepasbaar in de ethiek achter besluitvorming. Mill bouwde met deze quote voort op de utilitaristische theorie van Jeremy Bentham. Er zijn weinig beleidsvoorbeelden te bedenken waar de tegenstelling tussen ‘hogere’ en ‘lagere’ vormen van geluk beter tot uiting komt dan in de casus of de overheid moet kiezen voor de bouw van een voetbalstadion of een museum, ceteris paribus. Daar kom ik later deze post op terug. Eerst een nadere toelichting op het utilitarisme.

Jeremy Bentham en John Stuart Mill
Vorige week schreef ik een post over de waarde van een mensenleven met behulp van de utilitaristische ethiek en met de verhoging van de maximumsnelheid naar 130 kilometer per uur als voorbeeld. Daarin beschreef ik de ethische theorie van Jeremy Bentham, die uitging van ‘pleasure‘ en ‘pain‘ bij het bepalen van rechtvaardigheid van acties en maatregelen – en dus ook beleid. Rechtvaardige acties worden volgens hem gekenmerkt door de hoeveelheid genot voor de samenleving als geheel te maximaliseren. De kosten-batenanalyse komt hieruit voort, met als gevolg dat ook aan mensenlevens een bepaalde (financiele) waarde moet worden toegekend.

John Stuart Mill was vervolgens de utilitarist die de stroming na de dood van Bentham humaniseerde door te stellen dat er ‘hogere’ en ‘lagere’ vormen van geluk zijn. Immers: een christen die in de Romeinse tijd voor een vol stadion voor de leeuwen werd geworpen, maximaliseerde waarschijnlijk de hoeveelheid ‘pleasure‘ voor de samenleving als geheel (al het plezier van alle toeschouwers kan dan immers worden opgeteld). De ‘pleasure‘ die alle toeschouwers hieraan opgeteld echter ontleenden is gebaseerd op een ‘lagere’ vorm van geluk dan het welzijn van de christen, die door de leeuwen wordt verscheurd. Het maakt de daad dus alsnog onrechtvaardig of onethisch; de ene vorm van geluk weegt zwaarder dan de andere vorm van geluk. Op deze manier werkte Mill de theorie van Bentham verder uit.

Het voetbalstadion en het museum
De gemeente Rotterdam heeft de komende maanden een belangrijk besluit te nemen. Besluit het garant te staan voor de bekostiging van een Nieuwe Kuip? Niet alleen financiele of sociale aspecten dienen in deze casus te worden meegewogen, er ligt ook een ethische vraag verscholen achter deze casus. Immers, het geld dat de gemeente Rotterdam in de bouw van een nieuw stadion steekt, kan het niet steken in ziekenhuizen of scholen. Laten we dit nog verder polariseren. Wat als de gemeente Rotterdam moest kiezen: een nieuw voetbalstadion dat minimaal 30 keer per jaar 60.000 toeschouwers trekt (totaal: minimaal 1,8 miljoen mensen) of een nieuw museum dat jaarlijks 200.000 mensen trekt, tegen dezelfde kosten?

Volgens de theorie van Mill (en Bentham) zou een museum waardevoller zijn: dat zou kunnen worden gewaardeerd als een ‘hogere’ vorm van geluk dan de vorm van geluk als gevolg van de bouw van een nieuw voetbalstadion. ‘It’s better to be a Socrates dissatisfied than a fool satisfied.‘ Echter, hoe zwaar weegt het geluk bij de bouw van een museum? Met andere woorden: hoeveel meer bezoekers moet een stadion jaarlijks trekken om uiteindelijk te besluiten voor de bouw van het stadion? Of beter gezegd: hoe weinig bezoekers moet een museum trekken?

Dus…
Bij bovenstaand voorbeeld zal een gemeenteraad waarschijnlijk besluiten tot de bouw van een museum. De werkelijkheid is echter niet zo eenvoudig als het voorbeeld. Zaken als werkgelegenheid, zowel bij de bouw van het stadion en het museum als na ingebruikname ervan, onderhoudskosten, citymarketing (niet alleen door een museum, maar ook door een hypermodern stadion en een florerende voetbalclub!) en stimulering van educatie/sport in een regio zijn meer variabelen die in de besluitvorming moeten worden meegewogen, evenals het risico dat het geld eventueel niet kan worden terugverdiend, of de kans dat het geld juist wel wordt terugverdiend. Al met al wordt de casus steeds onzekerder. Vooruitzichten zijn altijd onzeker, dat maakt de besluitvorming risicovoller.

Uiteindelijk ligt er, naast alle praktische voor- en nadelen die hierboven kort zijn opgenoemd, echter ook een fundamentele, utilitaristische keuze achter de keuze om te investeren in de bouw van bijvoorbeeld een stadion, of te investeren in gezondheidszorg of onderwijs. Welke keuze is te rechtvaardigen? Voor beide keuzes is overigens theoretisch mogelijk om een utilitaristisch-ethische rechtvaardiging te verzinnen. De keuze voor een museum was al toegelicht (het is een hogere vorm van geluk). In tijden van crisis kan echter ook werkgelegenheid een doorslaggevende factor zijn en dan hoeft ook de investering in een voetbalstadion, ervanuit gaande dat hier veel meer mensen een baan door vinden, volgens de utilitaristische theorie van Mill niet onrechtvaardig te zijn. Begrijp me immers niet verkeerd, ik ben voorstander van een bouw van een nieuw stadion in Rotterdam, om verscheidene redenen, maar dat doet niets af aan dit voorbeeld van Mills utilitarisme in de vorming van beleid.

Het is interessant om te zien dat ethische keuzen in de dagelijkse praktijk van het maken van beleid immer boven komen drijven. Het maakt het gedachtengoed van denkers als Bentham en Mill van onschatbare waarde voor onze samenleving, voor beleidsmakers in het algemeen en voor mensen die besluiten nemen specifiek. Zij zouden er goed aan doen af en toe eens stil te staan bij ethische dilemma’s als deze. Ik denk dat zij daarmee recht zouden doen aan hun maatschappelijke rol met alle voordelen voor de samenleving vandien. Je zou het daarom, grappig genoeg, niet alleen interessant kunnen noemen dat mensen die beleid maken en die besluiten nemen zich in deze ethische vraagstukken verdiepen, maar misschien ook nog utilitaristisch, van het grootste nut voor de samenleving als geheel.

Banken lijken publieke taak uit het oog verloren

Het is inmiddels alweer een week geleden, maar bij de presentatie van het jaarverslag van de Autoriteit Financiele Markten (AFM) zei voorzitter Ronald Gerritse hele interessante zaken in het kader van publieke belangen in de bankensector. ‘Banken moeten veel beter communiceren’, zo luidt de kop boven het artikel op de site van De Volkskrant. De AFM-voorzitter gebruikte de storing bij het internetbankieren van ING als groot voorbeeld. ‘Pas in de avond kwam er wat uitleg van de Nederlandse Vereniging van Banken. Dat had uren eerder moeten gebeuren. Dit verdient geen schoonheidsprijs.’ Nu is dat nog tot daar aan toe; persoonlijk vind ik het uitblijven van een duidelijke visie van de banken op de toekomst van de financiele sector veel ernstiger. AFM: ‘Het is oorverdovend stil aan de kant van de banken. Ze zijn in hun schulp gekropen en komen er niet uit. Het zou helpen als banken en verzekeraars open en eerlijk zouden praten over de moeilijkheden die ze hebben.’ Naar die moeilijkheden ben ik ook wel benieuwd, en met mij waarschijnlijk vele Nederlanders. Aan de andere kant: probeer grote problemen op ongrijpbare en abstracte financiele markten maar eens begrijpelijk te verhelderen. Het niet eens proberen is echter geen optie.

Nationalisatie van banken
De financiele crisis heeft niet alleen in Nederland, maar ook in Europa, grote gevolgen voor de bancaire sector. In Nederland zijn drie van de vier grote banken (‘systeembanken’) inmiddels geheel of gedeeltelijk (weer) in handen van de overheid. Onlangs werd SNS Reaal genationaliseerd, iets wat eerder ook al bij ABN AMRO en gedeeltelijk bij de ING Bank gebeurde. De reden is duidelijk: deze banken mogen simpelweg niet verloren gaan omdat ze twee belangrijke publieke belangen dienen. Ten eerste de stabiliteit op de financiele markt en ten tweede, en dat is misschien nog wel de belangrijkste reden, de grote hoeveelheden spaargeld van de (Nederlandse) burger die aan deze banken zijn toevertrouwd. (Al heeft het verloren gaan van dit spaargeld natuurlijk ook weer grote gevolgen voor de economie, maar dat terzijde.)

Publieke dienstverlening
‘We hebben de financiële sector overal hard bij nodig: bij het oplossen van de problemen op de woningmarkt, met de pensioenen, in de zorg. Maar ze hebben kennelijk het idee dat ze niets meer goed kunnen doen en besluiten te zwijgen. Dat is de slechtst denkbare strategie. Bij het herstel van vertrouwen hoort ook eerlijk vertellen wat er aan de hand is,’ aldus Gerritse. Vervolgens staat in het artikel geschreven dat de AFM wil dat de banken de klanten centraal stellen. Ik ben het roerend met de AFM eens. De banken lijken de afgelopen jaren onvoldoende te hebben beseft dat ze naast een winstoogmerk ook een belangrijke publieke dienst verlenen. Die publieke dienstverlening is niet verdwenen nadat de banken zijn geprivatiseerd, of nadat zij hun dienstverlening hebben uitgebreid naar het buitenland of naar andere diensten. Soms lijken banken dit echter wel te denken – of ze zijn hun publieke taak op zijn minst uit het oog verloren. In het geval van SNS Reaal brachten problemen met de vastgoedinvesteringen de bank- en verzekeringstak in gevaar – met dreigende dramatische gevolgen voor gewone burgers. SNS Reaal had simpelweg onvoldoende oog voor zijn maatschappelijke taak en nam willens en wetens een risico met het spaargeld van burgers. Dat moet met dergelijke grote risico’s niet kunnen, en dus pleitte minister Dijsselbloem al voor opsplitsing van banken bij toekomstige financiele problemen – ook al bestrijden economen de mogelijkheden voor dergelijke plannen. De kern van de door Dijsselbloem aangedragen oplossing is echter helder.

Transparantie
In ieder geval lijkt het tijd voor een nieuw besef bij de banken. Een besef van de maatschappelijke rol die zij spelen. Meer transparantie zou hier een belangrijk onderdeel van kunnen zijn. Immers, wanneer een organisatie publieke diensten verleent, en zeker wanneer hier ook belastinggeld in wordt gepompt (wat bij de nationalisatie van de drie bovengenoemde banken ook is gebeurd – zij het waarschijnlijk niet structureel), kan transparantie naar de burger als publiek belang worden aangeduid. Bovendien is in het huidige crisisklimaat, dat voor een belangrijk deel wordt gevoed door de penibele situatie van veel banken, duidelijkheid en transparantie over de status van de crisis, plannen om de veiligheid van spaargeld te waarborgen en risico’s van de crisis voor het voortbestaan van de banken van belang. Om onnodige angst tegen te gaan, maar zeker ook om over structurele, toekomstige constructies en regulering van de bancaire sector te debatteren.

Het AFM is het met mij eens. ‘Maar de sector moet zelf nadenken en zelf laten weten hoe de toekomst eruitziet. Er is geen reden om daarin terughoudend te zijn, er is behoefte aan debat.’ Debat over de toekomst van de bankensector als belangrijk publiek belang. In deze crisistijd zou ik dat wel zo willen benoemen. Laat mij dan alvast een punt agenderen: het besef bij de banken dat ze naast winstmaximalisatie nog een belangrijk doel dienen, namelijk het verlenen van een publieke dienst. Zij hebben niet alleen met investeerders of klanten te maken, maar ook met burgers en mensen. Niet dat banken in hun strategie oneconomische keuzes moeten maken, integendeel. Maar qua risico’s, investeringen en visie lijkt me dit besef voor een bank een besef om in het oog te houden.

Misschien is dat besef wel het publieke belang dat we als samenleving moeten borgen: een structureel besef door de hele organisatie van top tot bottom. Het is immers wel ons spaargeld, waar die banken de verantwoordelijkheid voor dragen.

De kosten-batenanalyse van de verhoging van de maximumsnelheid en de waarde van mensenlevens

Genoeg over de postsector. Tijd voor iets anders: de filosofie achter de kosten-batenanalyse, een belangrijk instrument in beleidsvorming.

Omdat ik naast mijn stage hier in Nieuw-Zeeland genoeg tijd heb, ik zelf geïnteresseerd was geraakt in de werking van Massive Open Online Courses (MOOC’s) en ik over een brede interesse beschik, ben ik begonnen aan twee van deze MOOC-cursussen: Macro-economics van de Melbourne Universiteit en Justice, een cursus die door Harvard wordt aangeboden. Vooral die tweede cursus blijkt bijzonder interessant, maatschappelijk relevant en zelfs toepasbaar op overheidsbeleid. Toevallig stuitte ik in één van de teksten over rechtvaardigheid op een voorbeeld waarover ik me in Nederland persoonlijk heb opgewonden, namelijk: de verhoging van de maximum rijsnelheid op snelwegen van 120 naar 130 kilometer per uur. Een mooi stukje symboolpolitiek zonder praktisch nut en bovendien zeer kostbaar – niet alleen financieel, maar ook qua gevolgen: het aantal gewonden en doden neemt hierdoor toe. Nu kun je van deze verhoging vinden wat je wilt, maar het vormt een prachtig voorbeeld om de utilitaristische rechtvaardigheidsbenadering toe te passen.

Utilitarisme
Het utilitarisme is een vorm van rechtvaardigheid die feitelijk inhoudt dat een actie rechtvaardig is, wanneer de hoeveelheid ‘pleasure‘ (genot) de hoeveelheid ‘pain‘ (pijn) voor de samenleving als geheel overtreft. De filosoof Jeremy Bentham heeft deze theorie van nutsmaximalisatie ontwikkeld. Volgens hem leeft de mens onder de twee soevereine meesters pijn en genot. Rechtvaardige acties worden gekenmerkt door de hoeveelheid genot voor de samenleving als geheel te maximaliseren. De kosten-baten analyse, die in beleid, politiek en economie (en misschien ook wel bij belangrijke levensbeslissingen!) regelmatig wordt gebruikt is hieruit voortgevloeid. Om de gevolgen van daden te kunnen meten, wordt de hoeveelheid pijn en genot voor de samenleving als geheel tegen elkaar afgewogen. En of dat nou expliciet of impliciet het geval is: deze afweging zorgt dat alles in geld wordt uitgedrukt.

De kosten en baten van 130 per uur
Zou de regering-Rutte in 2012 ook een kosten-baten analyse hebben opgesteld? Ik vermoed bijna van wel, al heb ik geen idee hoe die eruit zou hebben kunnen gezien. Toch is het interessant om hierbij stil te staan. Expliciet, dan wel impliciet, heeft de regering-Rutte destijds namelijk een waarde in euro’s toegekend aan een mensenleven.

Het genot van de verhoging van de maximumsnelheid bestaat ruwweg uit verschillende onderdelen. Dagelijks kunnen vele duizenden mensen sneller met de auto reizen, wat geld en tijd uitspaart. Misschien neemt hierdoor de bedrijvigheid toe in Nederland. Bovendien zullen gezinnen blij zijn dat kostwinners meer tijd thuis kunnen besteden, zij zijn immers minder tijd kwijt aan het dagelijkse forenzen. Ten slotte hoeven mensen zich minder in te houden tijdens het rijden, wat het rijgemak zou kunnen vergroten (al vind ik dit persoonlijk betwistbaar). Stel, de hoeveelheid geluk voor de samenleving neemt door verhoging van de maximumsnelheid van 120 naar 130 kilometer toe met 10 miljoen euro per jaar, als je al deze zaken optelt (alle getallen zijn hier nattevingerwerk, het gaat meer om het gedachte-experiment).

De pijn van verhoging van de maximumsnelheid is eveneens vanzelfsprekend. De borden langs de snelwegen moeten vervangen worden, de regelgeving moet worden aangepast. Dit vergt al een flinke financiële investering, zij het eenmalig (stel: 2 miljoen euro, uitgesmeerd over 20 jaar = 100.000 euro per jaar). Het aantal gewonden neemt wellicht met veertig personen jaarlijks toe (met de medische kosten die dat met zich meebrengt, laten we zeggen: 40.000 euro per persoon x 40 = 1,6 miljoen euro) en er vallen gemiddeld vijf doden meer als gevolg van de verhoging van de maximumsnelheid, met alle gevolgen voor gezinnen en families. Voor de dodelijke slachtoffers geldt volgens het utilitarisme dat de kosten voor hun pensioenen, bijvoorbeeld, een besparing opleveren (een toename in geluk voor de rest van de samenleving).

Omdat de maximumsnelheid uiteindelijk is ingevoerd, betekent dit dat de voordelen opwegen tegen de nadelen. Qua kosten had ik de financiële investering en de gewonden al vastgesteld op 1,7 miljoen euro. Dat betekent dat 8,3 miljoen euro uitgespreid over vijf mensenlevens de waarde van een mensenleven bepaalt op 1,66 miljoen euro per mensenleven. Dat is de prijs die het kabinet-Rutte uiteindelijk – gewild of ongewild – op een mensenleven heeft gezet (nogmaals, de getallen zijn denkbeeldig, maar er is ergens een bedrag te destilleren).

De waarde van een mensenleven
Ik vond het een interessant en veelzeggend voorbeeld. Als bestuurskundige onderken ik dat er moeilijke besluiten moeten worden genomen en dat ieder beleid uiteindelijk een afweging is van kosten en baten. Vaak zijn hier mensenlevens mee gemoeid. Misschien gaan besluiten niet altijd over leven of dood, maar ze gaan op zijn minst over de kwaliteit van mensenlevens. Als politiek (en dus als samenleving) moet je uiteindelijk altijd een afweging maken of de kosten opwegen de opbrengsten. Er zullen ook op een maximumsnelheid van 120 kilometer per uur meer doden vallen dan op een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, bijvoorbeeld. Eerder hadden wij als samenleving al de afweging gemaakt om de maximumsnelheid toch op 120 kilometer per uur en niet op 100 kilometer per uur te bepalen, ondanks de doden. Al was de waarde van een mensenleven in die afweging waarschijnlijk hoger uitgevallen dan die in de verhoging van 120 naar 130, omdat de relatieve opbrengsten kleiner zouden zijn (verwacht ik).

(Overigens worden deze afwegingen ook door bedrijven gemaakt, met gevolgen voor mensenlevens. Hoe veilig maken zij bijvoorbeeld hun auto’s voor de passagiers? Hoe vaak testen vleesproducenten de kwaliteit van hun vlees? Welke treinen worden door de NS aangeschaft?)

Ik wil niet het gebruik van een kosten-baten analyse in het algemeen afschieten. Het is een goed model voor besluitvorming en om in ieder geval een overzicht te krijgen van de (verwachte) gevolgen van een besluit of een actie. De vraag is echter of je expliciet een prijs op de waarde van een mensenleven mag en moet willen zetten. John Stuart Mill was de utilitarist die de stroming na de dood van Bentham humaniseerde door te stellen dat er ‘hogere’ en ‘lagere’ vormen van geluk zijn. Hij zou in dit voorbeeld aangeven dat het geluk dat voortvloeit uit een hogere maximumsnelheid (en dan vooral het geluk van het minder hoeven inhouden tijdens het rijden) een ‘lagere’, inferieure vorm van geluk is, die minder zwaar mee moet tellen in de kosten-baten analyse dan het verlies van mensenlevens. Immers, het overschrijden van morele grenzen brengt ook kosten met zich mee: ze werken verloedering voor de samenleving als geheel in de hand omdat grenzen vervagen. Hierdoor worden de kosten van een bepaalde actie of beleid vergroot. Deze toevoeging aan het utilitarisme maakt de kosten-baten analyse zoals die voortvloeit uit de theorie van Bentham menselijker.

Ik weet niet wat de prijs van een mensenleven zou moeten zijn. Gevoelsmatig blijft het cru om hier een waarde in euro’s op te zetten. Beleidsmakers, zowel binnen als buiten de overheid, moeten echter wel – al kunnen ze beter goed nadenken over hun casus voordat ze dit expliciet doen (wanneer immers uitlekt dat je de waarde van een menseleven op een bepaald bedrag hebt vastgesteld, bestaat de kans dat de samenleving hier verontwaardigd op reageert). Impliciet gebeurt het echter dagelijks. Het voorbeeld van de verhoging van de maximum rijsnelheid in Nederland illustreert dit.